Nederland onderschat belang software ontwikkeling. Automatisering Gids 46, 14 november 2003. Nederland moet Kennisland worden. Klassieke industrieen zoals vliegtuigbouw, luchtvaart, en scheepsbouw verdwijnen in hoog tempo, en daarvoor moeten andere activiteiten in de plaats komen. De keuze voor een kenniseconomie ligt voor de hand. Vrijwel elke kennis en kunde wordt tegenwoordig vastgelegd in software en volgens vele indicatoren is software dan ook een belangrijke bron van innovatie en economische groei. Was het vroeger land, later werkkracht, daarna kapitaal, nu is informatietechnologie de belangrijkste productiefactor geworden. Software vormt de basis voor zeer veel onderzoek in bijna alle gebieden van wetenschap: van sterrenkunde tot rechtswetenschappen, van DNA-onderzoek tot kunstgeschiedenis. Software vormt ook de basis voor zeer veel economische activiteit: van financiele dienstverlening tot oliewinning, van mobiele telefonie tot vrachtvervoer. Het is niet overdreven om te stellen dat software op dit moment *de* innovatiemotor is. Met een variatie op een bekend liedje: "software makes the world go round". Gezien de centrale rol van software in onderzoek en economie ligt het voor de hand dat software en software engineering ook een vooraanstaande plaats innemen bij investeringen in Nederland Kennisland: een routekaart voor onderzoek en industriebeleid op het gebied van software engineering. Wie schetst echter onze verbazing, als op het recentelijk gehouden ICT-kenniscongres onze Minister van Onderwijs meldt dat Nederland eigenlijk te klein is voor eigen ICT onderzoek. Het idee is dat het voldoende is om resultaten van buitenlands onderzoek over te nemen en dat we daarmee de kachel in Nederland-Kennisland kunnen laten branden. Dit Calimero-denken van de overheid vraagt om een weerwoord. In 1998 was Nederland de op vier na grootste IT-spender van Europa en dus in termen van investeringen absoluut niet klein. In de top 10 stonden toen al Shell, ING Groep, en Philips, terwijl ABN AMRO op plaats 11 stond. Een van de redenen dat Philips Medical Systems kort geleden het concurrende onderdeel van Marconi overnam, en niet andersom, is nu juist dat Philips geavanceerde software voor MRI scanners produceert. Dit is het resultaat van veeljarige investeringen in software. Omgekeerd, staat Hagemeyer door onoordeelkundige investeringen in software op de rand van het faillissement en overname. Investeringen in software zijn belangrijk voor onze economie en zijn op de lange termijn alleen mogelijk als er voldoende expertise op het gebied van software engineering in Nederland is en blijft. Via kennisimport is het alleen maar mogelijk om expliciete kennis te bemachtigen: de kennis die is vastgelegd in formele rapporten en publicaties. De informele kennis, de kennis in hoofden van mensen, blijft achter in het land van herkomst en zonder deze kennis kunnen we nooit concurreren. De benodigde expertise kan alleen verkregen worden door aanzienlijke nationale investeringen in software engineering onderzoek. Een ander slecht voorteken voor het software engineering onderzoek in Nederland is dat het Ministerie van Economische Zaken bezig is zijn subsidieinstrumentarium te reorganiseren. Meer specifieke regelingen (o.a. ICT doorbraakprojecten) worden weer samengevoegd tot een enkele regeling waarin meerdere disciplines concurreren. Jaren geleden zijn er veel problemen geweest rond de oude --- inmiddels gelukkig herziene -- WBSO regeling (Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk): het was toen feitelijk onmogelijk om subsidie voor softwareprojecten te krijgen omdat elke activiteit op dit gebied werd aangemerkt als economische activiteit. Met deze historie in gedachten moeten we het ergste vrezen voor de nieuwe regeling. Het blijkt mogelijk om in sectoren als biotechnologie, energie of telecommunicatie aan te tonen dat er onderzoek nodig is om een bepaalde praktische vraagstelling op te lossen. Sectoren die overigens zelf ook vitaal van software afhankelijk zijn. Het blijkt echter vrijwel onmogelijk om de noodzaak voor onderzoek aan te tonen voor ICT projecten in het algemeen en voor software engineering projecten in het bijzonder. Zodra er een regel software geschreven wordt ontstaat bij de beoordelende instanties de indruk dat het om een commerciele activiteit gaat. De meest recente impuls voor de kenniseconomie is het uit de aardgasbaten bekostigde BSK (Besluit Subsidies Investeringen Kennisinfrastructuur) programma van ruim EUR 800 miljoen. We moeten het ergste vrezen voor software engineering onderzoek in Nederland als we de recente onthullingen over de nog geheime (maar breed beschikbare) beoordeling van de BSIK projecten door de Commissie van Wijzen lezen. De meeste ICT projecten die daar een positieve beoordeling krijgen zitten dicht tegen de hardware aan en software engineering als gebied wordt in het geheel niet gehonoreerd. De projecten die het beste scoren vragen vaak tot wel 80% subsidie voor hardware. Hardware die nu geavanceerd is en dus duur, maar over vier jaar alweer is ingehaald door de ontwikkelingen en dan waardeloos is. De hardwarelobby heeft duidelijk een sterke invloed op de besluitvorming, maar meer spullen kopen is niet de weg naar innovatie. Net zoals de al eerder genoemde superieure hardware van Marconi zijn geld niet oplevert zonder de software van Philips Medical Systems. De kosten en productietijd van een modale televisie of een high-end auto worden tegenwoordig voor een steeds groter deel bepaald door de kosten en productietijd van de daarvoor benodigde software. De BSIK voorstellen zijn beoordeeld door de KNAW en het CPB. De KNAW (Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen) bestaat uit de top 200 wetenschappers in Nederland, die de overheid adviseren op wetenschapsgebied. Het CPB (Centraal Planbureau) adviseert de overheid door middel van macro-economische analyses. Het enige voorstel op het gebied van software engineering dat in BSIK is ingediend is PRESTO en heeft betrekking op de constructie en evolutie van hoogwaardige software componenten en webservices. De KNAW is hier zeer positief over maar het CPB miskent het belang van software engineering volledig en gebruikt aantoonbaar onjuiste argumenten. Zo stelt het CPB in zijn beoordeling dat rond het onderwerp softwarecomponenten "de relevante multinationals in de marktvraag voorzien". Deze stellingname is onjuist: - De relevante multinationals beschikken ook niet over alle benodigde kennis op dit gebied. Er zijn nog zeer veel vragen op te lossen over het koppelen van componenten, over evolutie en onderhoud van componenten, over het koppelen van componenten en web services aan legacysystemen, en meer in het algemeen over beheer, onderhoud, en kwaliteitsbewaking van dergelijke systemen. - Enkele weken geleden is Microsoft oprichter Bill Gates naar Nederland gekomen om met een aantal hoogleraren software engineering te spreken over gezamenlijk onderzoek. Gates gaf als een van de reden voor dit gesprek dat samenwerking met Amerikaanse topuniversiteiten te eenzijdig is. Overigens nam Gates uiteraard het standpunt in dat Microsoft geen subsidie-instantie is. Ook op multinationaal niveau faalt de markt. - De Nederlandse markt stelt specifieke eisen ten gevolge van wetgeving en lokale werkwijzen. Hieraan kunnen multinationals minder goed voldoen dan bedrijven die hun wortels in de Nederlandse bedrijfskultuur hebben. Nederlandse bedrijven investeren echter niet in de daarvoor benodigde innovatie. Kortom, de markt faalt compleet en de overheid zou hier kunnen stimuleren maar doet dat niet. Verder suggereert het CPB net als onze Minister van Onderwijs dat het voldoende zou zijn om resultaten van software engineering onderzoek van Amerikaanse universiteiten over te nemen. Nu doet het curieuze feit zich voor dat in een rapport uit 2001 het CPB zelf uitvoerig gerapporteerd heeft over een wet van verminderde kennisoverdracht waaruit blijkt dat er een negatief verband bestaat tussen kennis en fysieke afstand: na 1200 kilometer heeft kennis al de helft van zijn waarde verloren. Alleen al om deze reden heeft kennisimport weinig zin. Hoe is het toch mogelijk dat het CPB zichzelf hier zo tegenspreekt? Het dieptepunt wordt bereikt als we constateren dat er in BSIK geen ruimte is voor stimulering van software engineering terwijl er zelfs voorstellen voor honorering worden voorgedragen die zowel van KNAW als CPB een negatieve beoordeling krijgen. Wat is hier aan de hand? Een Commissie van Wijzen die geen enkele expertise op het gebied van software engineering heeft maar toch de adviezen van experts in de wind slaat en oordeelt met een nauwkeurigheid van tienden achter de komma zonder fundering: is dat een commissie van wijzen? Een CPB dat de beoordeling van BSIK voorstellen zo belangrijk acht dat ze deze taak aan junior consultants van het Amerikaanse adviesbureau Rand Corporation heeft uitbesteed. Logisch dat deze juniors niets weten van de wet van de verminderde kennisoverdracht --- in Amerika speelt dit helemaal niet want daar ontwikkelt men zijn kennnis zelf. Deze gang van zaken tekent wel de mentaliteit t.o.v. onderzoek dat van nationaal belang is: zelfs de beoordeling ervan wordt uitbesteed. De aanvraagprocedure voor BSIK heeft universitair Nederland geruime tijd lam gelegd. Er zijn 67 voorstellen ingediend die als gevolg van de opgelegde eisen honderden pagina's dik waren. Een ruwe schatting leert dat de diverse consultancyrapporten en de beleidsvoorbereiding, het samenstellen van de onderzoeksconsortia, het schrijven en het beoordelen van deze voorstellen een kleine 20 Miljoen Euro heeft gekost. Voor dit bedrag hadden 120 promovendi gedurende 4 jaar onderzoek kunnen doen! Een vernietiging van kapitaal en talent van circa 480 mensjaar. Dat er veel werk in onderzoeksvoorstellen gestoken moet worden is nog te begrijpen; maar dat de beoordeling van deze voorstellen dan zo te kort schiet gaat elk begrip te boven. Hoe moet dit nu verder? Er zijn risico's verbonden aan de huidige situatie waarin software engineering in Nederland niet serieus wordt genomen: - Outsourcing van arbeidsintensief (software)werk naar lage lonen landen is onvermijdelijk, maar dan moeten we wel de expertise opbouwen om outsourcing te kunnen definieren en bewaken. Zonder deze kennis zullen we niet eens tot grootschalige outsourcing in staat zijn. - Outsourcing van kennisintensief werk naar kennislanden waardoor het kennisniveau in eigen land afneemt. - Nederlands talent wordt weggezogen naar kennislanden. Er is nu al een uitstroom gaande en diverse onderzoekers overwegen een dergelijke stap. - Multinationals zoals, bijvoorbeeld, Philips dreigen zelfs al hun onderzoek helemaal uit Nederland weg te halen. - Nederland ziet geen kans om bij te blijven in de software engineering markt. De concurrentie met opkomende economieen zoals China, India, Rusland, en de Ukraine wordt steeds moeilijker. Al deze ontwikkelingen zijn schadelijk voor de ambitie om Kennisland te worden en zullen negatieve economische gevolgen hebben. Vele landen zijn ons al voorgegaan in het onderkennen van het vitale belang van software engineering. In de VS pleit het PITAC (the President's Information Technology Advisory Committee) rapport om in elk gesubsidieerd project als verplicht onderdeel software-onderzoek op te nemen. In een verklaring voor de senaatscommissie voor fundamenteel onderzoek stelt PITAC-lid Joe Thompson: ``1. We have neglected to fund software research commensurate with and concomitant to funding of hardware acquisitions. 2. We are reaping the fruits of the last decade's research in information technology while neglecting research in this decade.'' Hij bevestigt ook onze eerdere opmerking over de verschuiving in de richting van het steeds toenemend belang van software: investeringen in high-end hardware worden voor slechts 20% benut door het ontbreken van adequate software en het ontbreken van softwarekennis om deze te maken. Hardware heeft echter een sterke lobby van verkopers achter zich terwijl de lobby voor software veel diffuser is. Naar aanleiding van PITAC gaf Japan te kennen ook te gaan investeren, met als expliciet doel om de VS voorbij te streven. Canada heeft in een programma met een omvang groter dan het complete BSIK budget bijna 1000 nieuwe academische posities gecreeerd voor onderzoek op het gebied van informatietechnologie. Duitsland, Ierland en vele andere landen hebben het belang van fundamenteel onderzoek in de software engineering ook onderkend en investeren in nationaal software engineering onderzoek. De vraag waar we voor staan is deze: wordt Nederland een land van software-ontwikkeling of een ontwikkelingsland op het gebied van software? Nederland heeft een lange traditie op het gebied van software engineering zowel qua onderzoek als qua economische activiteit. Er liggen duidelijke kansen, maar die moeten we dan wel benutten. Het is de hoogste tijd voor een routekaart voor onderzoek en industriebeleid op het gebied van software engineering. De manier waarop subsidies op dit moment verdeeld worden laat maar 'e'en mogelijkheid open: de Nederlandse overheid kiest voor Nederland als ontwikkelingsland op het gebied van software. Een kennixland voor software. Mehmet Aksit (hoogleraar software engineering, UT), Jan Bergstra (hoogleraar software engineering, UvA), Jan Bosch (hoogleraar software engineering, RUG), Thiel Chang (manager R&D PinkRoccade, PinkRoccade), Arie van Deursen (projektleider CWI, universitair hoofddocent TUD), Paul Klint (hoofd afdeling software engineering CWI, hoogleraar software engineering UvA), Tobias Kuipers (CTO Software Improvement Group), Doaitse Swierstra (hoogleraar programmatuur, UU), Chris Verhoef (hoogleraar informatiesystemen, VU), Eelco Visser (universtair docent software technologie, UU), Fred von DeWall (hoofdeconoom, ING), Hans van Vliet (hoogleraar software engineering, VU), Pum Walters (academische relaties, Microsoft Nederland), Marjo Wildvank (direkteur, Software Improvement Group) De ondertekenaars zijn allen vanuit unversiteit of bedrijf actief op het gebied van software engineering.